Waarom we de nieuwe definitie van burn-out wél serieus moeten nemen

De nieuwe WHO-definitie van burn-out kwam onder vuur te liggen omdat deze alleen naar werkdruk zou kijken. Maar de verontwaardiging is onterecht, zegt psychotherapeut en coach Carien Karsten.

Onlangs gaf de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) een nieuwe definitie van burn-out die puur werkgerelateerd is. Volgens sommigen hebben we niets aan deze definitie, omdat deze geen ruimte biedt om naar andere oorzaken te kijken dan druk op het werk. Zoiets als mantelzorg zou dan bijvoorbeeld niet tot burn-out kunnen leiden. Je zou denken dat een ruimere definitie inderdaad gewenst is. Maar bij nadere beschouwing is de focus op het werk zo gek nog niet.

De WHO (World Health Organization) definieert burn-out als een ziektebeeld dat te maken heeft met chronische stress op het werk waar niet goed mee wordt omgegaan (‘a syndrome conceptualized as resulting from chronic workplace stress that has not been successfully managed’). Het ziektebeeld bestaat uit vier dimensies: gevoelens van uitputting, mentale afstand tot het werk, een negatieve of cynische houding en een gevoel van verminderde competentie.

Carolien Hamming en Jennifer Hanenberg Elders betogen in de NRC van 12 juni dat Nederland deze definitie als werkgerelateerd syndroom niet moet overnemen. De definitie is in hun ogen veel te beperkt. Het ontneemt het zicht op belangrijke oorzaken zoals de thuissituatie en persoonlijke kenmerken. Bovendien zou je volgens deze definitie buiten het werk om niet burn-out raken, wat de auteurs een miskenning vinden van mensen die gestrest raken van zoiets als mantelzorg. Zouden die dan geen recht hebben op een burn-out behandeling?

De verontwaardiging van Hamming en Hanenberg is begrijpelijk, maar onterecht. Lees de definitie nog maar eens goed: het gaat niet over de oorzaak van stress, maar om de manier waarop je ermee omgaat. En dat is de crux. Als je daarnaar kijkt, komen de persoonlijke omstandigheden vanzelf aan de orde. Daar hoeft dus niets over in de definitie te staan.

Werkdruk meten bestaat niet

De werkdruk is niet objectief te meten, evenmin als de last die je te dragen hebt in je leven als je bijvoorbeeld werk en mantelzorg combineert, of als je als alleenstaande ouder voor kinderen zorgt. Voor de een weegt die verantwoordelijkheid heel zwaar, voor de ander is er een sociaal vangnet waardoor de last meer gedeeld wordt. Je kunt eindeloos zoeken naar objectief vast te stellen stressfactoren, maar die zijn er niet, juist door de verschillende manieren waarop mensen met stress omgaan.

In het gesprek over druk op het werk moet het daarom ook allereerst gaan over de ervaren stress, en niet over de vraag of iets objectief gezien wel of niet te zwaar is. Zo’n gesprek vraagt om een open houding en een context waarin je in vrijheid over dit soort zaken kunt praten, en de bereidheid om met individuele oplossingen te komen. Daarin ligt de waarde van de WHO-definitie. Het zou mooi zijn als we die definitie in Nederland serieus nemen en aandacht hebben voor maatregelen die het gevoel van continu onder druk te staan verminderen.

Daarbij speelt zowel de verantwoordelijkheid van werkgever én werknemer, maar ook maatschappelijke verantwoordelijkheid. Want als de mantelzorg vooral de verantwoordelijkheid van vrouwen is en ook de kinderen vanuit de heersende moederschapsideologie haar verantwoordelijkheid zijn, kán dat invloed hebben op de manier waarop zij de werkdruk ervaart.

Omdat het onderscheid tussen werk en privé tegenwoordig steeds vloeiender is, is het niet meer dan logisch dat ook bij de inrichting van de samenleving rekening wordt gehouden met het succesvol kunnen managen van de werkdruk.

Bron: Intermediair.nl