Jan Vambersky: ‘Wet bouwkwaliteit zo snel mogelijk prullenbak in’

Geen tekening mag wat hem betreft het bouwproces in voordat een ander ernaar heeft gekeken. En structureel toezicht, zonodig dagelijks, vindt hij ook onontbeerlijk. Oud-hoogleraar Jan Vambersky roept het al langer, maar zag de overheid met de Wet kwaliteitsborging radicaal de andere kant op bewegen. Het ferme standpunt van de OVV, biedt hem het laatste sprankje hoop dat het nog goed komt.

Er is geen steek veranderd sinds hij begin deze eeuw aan de bel trok over gebrekkige kwaliteitscontrole en bouwtoezicht. Constructeur en oud-hoogleraar Jan Vambersky realiseert het zich maar al te goed. Maar hij weigert bij de pakken neer te zitten en is bezig aan een slotoffensief tegen de vermaledijde Wet kwaliteitsborging bouw.

U sloeg in 2003 al alarm bij minister Sybilla Dekker dat constructieve veiligheid niet geborgd is in Nederland.
“Pas na heel lang aandringen kwam ze met een halfslachtig antwoord op de open brief van de TU, Kivi en een trits andere organisaties. En jaren later, toen ze een commissie voorzat, kwam ze met het voorstel het Bouwtoezicht af te schaffen. Precies het tegenovergestelde van wat wij bepleitten!”

Misschien vond ze dat het wel meevalt met die constructieve veiligheid in Nederland?
“Dat is wel het signaal dat je als overheid afgeeft, maar dat is in werkelijkheid natuurlijk niet zo. We kruipen vaak door het oog van de naald. Het is een godswonder dat er in Eindhoven geen doden zijn gevallen. En dat gold ook voor het parkeerdek in Tiel, de toneeltoren in Hoorn en nog een paar bouwwerken die instortten. Gelukkig was de eerste kamer vorig jaar zo verstandig om de Wet kwaliteitsborging niet aan te nemen.”

Hoe moeten we de constructieve veiligheid dan wel organiseren?
“Dat maakt me niet zoveel uit, maar in elk geval niet door het bouwtoezicht af te schaffen. Je moet zorgen dat alle documenten aan de hand waarvan wordt gebouwd aantoonbaar gecontroleerd worden door een derde. Als je een groot bureau hebt, kun je dat intern organiseren. Kleinere bureaus of zzp’ers zullen externen moeten inschakelen. Inderdaad dat kost geld. Maar als dat een wettelijke verplichting is, zullen ze wel moeten. Vergis je niet, die kleine bedrijven zijn verantwoordelijk voor een groot deel van de bouwproductie.”

Dat soort controles kan de bouw toch zelf wel uitvoeren, zoals de Wet kwaliteitsborging voorziet?
“Zolang er geen wettelijke verplichting is, gebeurt het onvoldoende. Op de tekeningen van de grotere adviesbureaus is meestal wel ruimte voor stempels waarop supervisors hun paraaf kunnen zetten. Maar bij kleinere bureaus en toeleveranciers ontbreekt die gewoonte. Meestal controleert niemand de documenten. Terwijl naar de toeleveranciers vaak heel veel cruciaal ontwerp- en rekenwerk is gedelegeerd. Iedereen vertrouwt blindelings op het werk van de ander en zo sluipen er fouten in.”

Dan verwordt Bouw- en Woningtoezicht tot een grote stempelmachine, die alleen maar kijkt of overal minimaal twee parafen onder staan?
“Dat moeten ze ook doen, maar je hebt er wel kundige mensen voor nodig die dwarsverbanden kunnen leggen en onderkennen of diverse documenten en berekeningen wel bij elkaar horen en op elkaar aansluiten. Zij moeten ook steekproefsgewijze controles kunnen uitvoeren, maar zeker niet het (controle)werk van de ingenieursbureaus overnemen.”

Moeten ze nog naar de bouwplaats?
“Wie je er naartoe stuurt maakt me ook niet uit, als er maar toereikend extern toezicht is, op basis van een wettelijke verplichting. Alleen een externe toezichthouder heeft de positie om op een gegeven moment de bouw stil te leggen. Zo’n moment komt nooit gelegen, maar vindt plaats terwijl de kubel met verse mortel al in de kraan hangt. Ik heb er tijdens mijn constructeurscarrière ook slapeloze nachten van gehad, maar als externe toezichthouder was het voor mij altijd makkelijker dan voor een interne. De aannemer staat altijd onder enorme werkdruk en zal een interne toezichthouder eerder een halt toeroepen dan een externe.”

U heeft in het laatste rapport van de OVV naar de instorting in Eindhoven een mooi podium gekregen.

“Hier overschat u mijn rol. Ik heb slechts voor bureau Horvat meegewerkt aan de technische onderbouwing. Wij hebben onze bevindingen overlegd en daarna heeft de OVV zelf haar rapport opgesteld. Ik heb het uiteindelijk ook pas gezien op dag van publicatie, maar ben absoluut blij met hun ferme stellingname. Ik hoop dat de minister het signaal ook oppikt. Het is wel de laatste kans.”

En nu?
“Ik zie het niet gebeuren dat de bouwsector er op eigen kracht in slaagt om ontwerp en uitvoering zo te organiseren dat alle constructieve veiligheidsrisico’s worden beheerst. Zij hebben hulp nodig. Het zou al veel helpen als de minister wettelijk verplicht stelt dat bouwvergunningen alleen worden verleend aan werken met aantoonbaar gecontroleerde documenten en toereikend toezicht. Misschien wel dagelijks. En laat ze die Wet kwaliteitsborging alsjeblieft snel in de prullenbak gooien.”

Jan Vambersky

Jan Vambersky werd in 1945 geboren in Tsjechoslowakije en studeerde Civiele Techniek aan de HTS in Praag. Toen de Russen in 1968 een einde maakten aan de Praagse Lente, zat hij net in Nederland. Hij besloot er te blijven. Hij was jarenlang directeur van ingenieursbureau Corsmit, dat later opging in HaskoningDHV. Daarnaast was Vambersky 22 jaar lang hoogleraar constructieleer aan de TU Delft.

Bron: Cobouw.nl