‘Chroom VI giftiger dan gedacht’

Afgelopen periode was er veel aandacht voor Chroom VI op materieel bij Defensie. Uit recent onderzoek door het Rijksvastgoedbedrijf blijkt dat het kankerverwekkende chroom-6 frequent is toegepast op het vastgoedbestand van Defensie. Uit onderzoek is bekend dat Chroom VI ook op ander vastgoed voorkomt, aangezien het in het verleden veel is toegepast in roestwerende verf.

De afgelopen jaren is uit meerdere wetenschappelijke onderzoeken duidelijk geworden dat de stof giftiger is dan eerder werd gedacht. Daarom is aan het RIVM gevraagd te onderzoeken of aanvullende maatregelen richting consumenten nodig zijn. Dat schrijven minister Bruins (Medische Zorg en Sport) en staatssecretaris Van Ark (SZW) in een brief aan de Kamer. In de brief bespreken de bewindslieden hoe de veiligheid van consumenten en werknemers gewaarborgd kan worden en hoe de Rijksoverheid als werkgever en opdrachtgever omgaat met gevaarlijke stoffen.

Vastgoed
Volgens Bruins en Van Ark hebben departementen en uitvoerende diensten waar Chroom VI in vastgoed is aangetroffen of in beeld waar het Chroom VI zit of laten dit inventariseren. Waar inventarisatie op dit moment loopt, zoals bij de Dienst Justitiële Inrichtingen, zijn werkzaamheden met Chroom VI houdend verduurzaamd hout stilgelegd. Ook het ministerie van LNV brengt in beeld of er bij instellingen op hun terrein extra maatregelen nodig zijn. Defensiepersoneel is erop gewezen dat het niet is toegestaan zelf werkzaamheden aan gebouwen van Defensie uit te voeren. Medewerkers van NS en ProRail moeten bij onderhoudswerk er rekening mee houden dat ze de giftige stof kunnen aantreffen. Daarvoor gelden verscherpte voorschriften.

Chroomhoudende materialen

Bij normaal gebruik van chroomhoudende materialen, zoals het aanraken van materiaal waarin Chroom VI is verwerkt, verchroomde voorwerpen (voorwerpen bedekt met een glanzende laag chroom) en geverfde oppervlakken, treden geen gezondheidsrisico’s op, schrijven Bruins en Van Ark. In verchroomde voorwerpen is geen Chroom VI meer aanwezig. Bij geverfde oppervlakken is het Chroom VI dusdanig gebonden dat er bij normaal gebruik geen blootstelling zal zijn. Wanneer  Chroom VI-houdende materialen worden bewerkt, door bijvoorbeeld machinaal schuren, lassen, slijpen of zagen, kan er Chroom VI-houdend stof vrijkomen waardoor blootstelling kan ontstaan. Zoals bij onderhoudswerkzaamheden aan objecten zoals vastgoed, vliegtuigen of auto’s die (ooit) zijn behandeld met Chroom VI.

Grenswaarde

Sinds 1 maart 2017 geldt een verlaagde wettelijke grenswaarde voor blootstelling van werknemers aan Chroom VI verbindingen van 1 µg/m3. Deze grenswaarde geldt ook voor bewerkingen zoals schuur- en slijpwerkzaamheden aan Chroom VI houdende verflagen.  In het kader van REACH heeft de EU bepaald dat het gebruik van een groot aantal nieuwe chroom-6-verbindingen alleen toegestaan is door bedrijven die officieel toestemming hebben gekregen van de Europese Commissie (=autorisatie) of door bedrijven waarvan een aanvraag voor gebruik nog in behandeling is (dit laatste geldt alleen als de aanvraag is ingediend voor de door de EU vastgelegde indieningsdatum). Bruins en Van Ark merken op dat de bedrijven ook toestemming kunnen aanvragen voor gebruik lager in de keten.

Verminderen blootstelling

De Inspectie SZW controleert of werkgevers voldoende doen om blootstelling aan Chroom VI te voorkomen. Bedrijven die met Chroom VI werken moeten alternatieve processen kiezen of maatregelen nemen om de blootstelling zo laag mogelijk te houden. Inspecteurs controleren of bedrijven aan deze verplichting voldoen. Hierbij kijken ze niet alleen naar Chroom VI, maar ook naar de overige risicovolle stoffen die toegepast worden of vrijkomen. Ook werkt de Inspectie momenteel aan een checklist voor Chroom VI. Hierin komen de processtappen en randvoorwaarden te staan die nodig zijn om invulling te geven aan beheersmaatregelen bij potentiële blootstelling van werknemers aan Chroom VI. Zie ook het eerdere nieuwsbericht “Inspectie SZW richt zich op verminderen blootstelling gevaarlijke stoffen“.

Bron: Sdu-HSE