Brandveilig gebouwbeheer betekent voldoen aan de wet

Gebouwen moeten brandveilig worden gebruikt. Hiervoor gelden landelijke regels die zijn vastgelegd in het Bouwbesluit 2012 en in aanvullende nationale normen (NEN). Zowel eigenaar als gebruiker zijn aansprakelijk voor een gebouw dat niet voldoet aan de regels en/of gebruik dat in strijd is met de regels. In dit artikel gaan we nader in op de regels en normen en vertellen we hoe hiermee brandonveilige situaties te voorkomen zijn.

Door Betty Rombout

“Brandveilig gebouwbeheer wil zeggen dat de eigenaar van het gebouw minimaal de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 naleeft. De gemeente of brandweer heeft hierin geen directe verantwoordelijkheid, maar kan wel handhavend optreden. Bij risicovolle vormen van gebruik zal de eigenaar aanvullende acties moeten ondernemen richting de gemeente”, dat zegt Klaas Jan de Boer.

Hij is senior adviseur op het gebied van integrale brandveiligheid. De Boer heeft brede ervaring opgedaan bij adviesbureaus, als docent bij hogescholen en bij de gemeentelijke- en rijksoverheid. Als rapporteur heeft hij aan diverse normen meegewerkt op het gebied van brandveiligheid, zoals NEN 6060 en NEN 6079, de twee normen voor grote brandcompartimenten. Klaas Jan De Boer is mededirecteur van CBRA bv, een consultancybureau voor brandveiligheid.

Wettelijke eisen en eigen verantwoordelijkheid

Wat zijn de eisen? De Boer: “Het gebouw moet dus voldoen aan de wet. Dit houdt onder andere in dat een brand niet snel mag uitbreiden naar een ander gebouw of aangrenzend compartiment. De aanwezige brandscheidingen in het gebouw moeten dan ook adequaat worden beheerd, onderhouden en gecontroleerd. De vluchtveiligheid dient uiteraard ook op orde te zijn middels onder andere het vrijhouden van de vluchtwegen en het in stand houden van de noodverlichting en de brandmeldinstallatie”.

Op basis van het Bouwbesluit 2012 kan een brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie vereist zijn. Een brandmeldinstallatie moet voldoen aan NEN 2535 en een ontruimingsalarminstallatie aan de NEN 2575. Voorafgaand aan de aanleg van de brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie wordt een programma van eisen (PvE) opgesteld. De aanleg van de installatie gebeurt vervolgens op basis van het PvE. De Boer: “Het Bouwbesluit kent verschillende niveaus in bewaking. Bij ‘niet-automatisch’ is geen inspectiecertificaat voor de installatie nodig. Echter, in een gebouw waar veel personen aanwezig kunnen zijn en/of wordt overnacht, is een inspectiecertificaat vereist met een periodieke controle”.

Noodverlichting

Met betrekking tot de noodverlichting, deze dient jaarlijks gecontroleerd te worden op het correct functioneren ervan. Het Bouwbesluit geeft in het zogenaamd zorgplichtartikel aan, dat de eigenaar van een gebouw hier zelf verantwoordelijk voor is. “Ook de brandveilige afwerking van doorvoeringen in brandscheidingen valt onder dit zorgplichtartikel”, zegt Klaas Jan de Boer.

Genoemde verantwoordelijkheid geldt ook voor vluchtroutes. Het Bouwbesluit geeft in een aantal artikelen aan dat deze niet geblokkeerd mogen worden. Het opslaan van brandbare materialen op routes is niet toegestaan. Maar de zorgplicht ligt ook hier bij de gebruiker van het gebouw. De Boer: “Stel dat een gebouw weinig vluchtroutes kent en er veel mensen in aanwezig zijn, dan heeft de overheid altijd nog wel ‘een artikel achter de hand’ om bij te sturen”.

NEN 6060 en NEN 6079

Voor de brandveiligheid van een gebouw dienen we ook te denken aan brandcompartimentering. De oppervlakte van een nieuwbouw mag maximaal 1.000 m2 zijn. Voor bestaande bouw en gebouwen met een industriefunctie iets meer. Maken we echter het compartiment groter dan de prestatie-eis in het Bouwbesluit, zoals bij distributiecentra, dan kunnen we NEN 6060 en NEN 6079 toepassen. “Met deze normen wordt de gelijkwaardigheid aangetoond ten opzichte van de prestatie-eis van het Bouwbesluit”, legt Klaas Jan de Boer uit.

Vuurlast

Bij NEN 6060 moet de vuurlast worden berekend. Aan de hoeveelheid aanwezige vuurlast in een gebouw zijn voorzieningen gekoppeld. Blijft de vuurlast beperkt, dan zijn bouwkundige voorzieningen afdoende. Denk aan het aanbrengen van extra brandwerendheid in de gevel of in een brandmuur. Bij hogere vuurlasten kan een sprinklerinstallatie worden vereist. Deze norm is vooral bedoeld om ervoor te zorgen dat brand niet overslaat naar de buren op een ander perceel.

Risicobenadering

NEN 6079 heeft hetzelfde doel als NEN 6060 maar is op basis van risicobenadering. De Boer legt uit: “Naar aanleiding van de Schipholbrand heeft de overheid opnieuw naar de regelgeving gekeken. Besloten is toen bouwwerken meer risicogericht te beoordelen. Oftewel, kan een compartiment in een risicovol gebouw groter uitgevoerd worden dan 1.000 m²? We kijken dan bijvoorbeeld naar de faalkans van een sprinklerinstallatie of een brandscheiding. We toetsen het risico aan een zogenaamde normcurve, die weer een relatie heeft met het Bouwbesluit met betrekking tot compartimentering”.

Gelijkwaardigheid

Voor alle duidelijkheid, we kennen dus de wet en de eventueel aanvullende normen. De Boer: “Het Bouwbesluit geeft functionele eisen. Hieronder ‘hangen’ de eerder genoemde prestatie-eisen, waar gelijkwaardigheid voor mag worden aangetoond. Hiervoor is dus het gelijkwaardigheidsbeginsel in het leven geroepen. Oftewel, op elke prestatie-eisen kunnen we hiermee de gelijkwaardigheid aan het Bouwbesluit aantonen. En dit doen we vervolgens met onder andere NEN 6060 en NEN 6079. De normen zijn nu nog geen wetgeving, maar worden naar verwachting wel aangestuurd in het toekomstige Bouwbesluit, het Bbl 2021”.

Begrip brandveiligheid

Of brandveiligheid in Nederland wel of niet goed geregeld is, hangt ook af van wat we onder brandveiligheid verstaan. Stel, in een gebouw zijn volgens het Bouwbesluit geen blusinstallaties vereist, dan accepteren we in Nederland dat zo´n gebouw kan afbranden. Vele bedrijven gaan na zo’n voorval failliet, oftewel het kost tijd en geld om het werkproces opnieuw op te starten.

“Het lijkt dan alsof de brandveiligheid niet goed geregeld is. Dat is niet het geval, de gebouweigenaar heeft zich namelijk geconformeerd aan de minimale eisen van het Bouwbesluit en voldoet daarmee aan de wet. Een gebouweigenaar is altijd vrij om zogeheten bovenwettelijke maatregelen te treffen om risico’s verder te beperken. In dit voorbeeld had ervoor gekozen kunnen worden om een blusinstallatie toe te passen. Er moet duidelijk onderscheid gemaakt worden in de publieke en private belangen. De overheid wil met de wetgeving met name voorkomen dat de brand naar de buren overslaat en zorgen mensen het gebouw veilig kunnen verlaten. De verzekeraar is gebaat bij het voorkomen en beperken van de omvang van de brand”, aldus De Boer.

Bron: Brandveilig.com