Nieuwe SZW-lijst 3 januari 2022 verschenen

Adviseren over schadelijke stoffen

De nieuwe SZW-lijst met kankerverwekkende stoffen en processen, mutagene stoffen en met voor de voortplanting giftige stoffen is 3 januari 2022 verschenen. Belangrijkste wijzigingen zijn:

  • Bij de stofgroepen is duidelijker beschreven welke stoffen daar wel of niet onder vallen;
  • De ATP 17 voor Annex VI van de CLP verordening van REACH is verwerkt, wat betekent dat de lijst een behoorlijk aantal nieuwe stoffen bevat;
  • Er zijn een aantal stoffen teruggeplaatst welke eerder verwijderd waren.

In totaal staan er ruim 30 significante wijzigingen in de lijst. Van groot belang dus om uw wettelijk stoffenregister weer te updaten.

Download de nieuwe lijst hier!

Bron: Toxic.nl /SDU

Adviseren over schadelijke stoffen

Werknemers kunnen tijdens het werk worden blootgesteld aan tal van stoffen die mogelijk schadelijk zijn voor hun gezondheid. De Gezondheidsraad heeft een vaste rol bij de advisering over de bescherming van werknemers tegen dergelijke negatieve invloeden. Op verzoek van de minister van SZW beoordeelt de raad de toxische eigenschappen en gezondheidseffecten van verschillende stoffen.

De vaste Commissie Gezondheid en beroepsmatige blootstelling aan stoffen (GBBS) stelt gezondheidskundige advieswaarden op. Op basis daarvan kan de minister grenswaarden voor de werkplek vaststellen (maximale concentraties van een stof in de lucht). Twee vaste subcommissies, Classificatie carcinogene stoffen en Classificatie reproductie toxische stoffen, stellen classificatievoorstellen op. Op basis daarvan kan de minister besluiten stoffen op te nemen in de officiële lijst van ‘kankerverwekkende, mutagene en voor de voortplanting giftige stoffen’.

De drie commissies hanteren voor de advisering over stoffen een vaste werkwijze. Deze werkwijze staat beschreven in een uitgebreide Engelstalige werkwijze waarvan hieronder ook een beknopte Nederlandse versie beschikbaar is.

Op een lijst houdt de Gezondheidsraad bij voor welke stoffen de commissies classificatievoorstellen hebben gedaan en wat de aanbevelingen waren.

Ga naar:

Werkwijze advisering over bescherming tegen schadelijke stoffen

Bron: Gezondheidsraad

Confettikanon ontploft in gezicht werkneemster

Dat werkgevers in veel gevallen aansprakelijk zijn in geval van een arbeidsongeval is bekend. Dat werkgevers verplichtingen hebben ter voorkoming van arbeidsongevallen is ook al bekend. Maar hoe zit dit wanneer een medewerkster een confettikanon tot ontploffing laat komen in haar eigen gezicht, met ernstig letsel tot gevolg?

In dit artikel tref je samengevat welke overwegingen de rechter heeft binnen de juridische toetsing[1]. En je leest hoe de arbeidsinspecteur verklaart; hoe de werkgever reageert en hoe de kantonrechter vonnist.

Tot ontploffing

Een winkelmedewerkster haar dagelijkse werkzaamheden bestaan uit het aanvullen en sorteren van producten in schappen, opruimen en bedienen van de kassa. Op 3 november 2018 heeft ze tijdens haar werkzaamheden een confettikanon uit een schap met huishoudartikelen gepakt, omdat het daar niet hoorde te liggen. Terwijl ze met het confettikanon in haar handen langs de schappen liep, is het confettikanon tot ontploffing gekomen in haar gezicht. Als gevolg van deze ontploffing heeft de medewerkster ernstig letsel aan haar linkeroog opgelopen.

De Arbeidsinspecteur

Het arbeidsongeval is op 15 november 2018 gemeld bij de Inspectie SZW. De betrokken arbeidsinspecteur heeft nadere informatie ingewonnen.  Naar aanleiding van zijn bevindingen schrijft de arbeidsinspecteur het volgende:

“Op de hoofdvestiging in Zwaagdijk-Oost de beelden bekeken van het ongeval.  Ik zag het slachtoffer met een losse partypopper in haar hand door de winkel lopen.  Ik zag dat ze in de partypopper keek en het leek alsof ze met haar hand een draaiende beweging maakte, waardoor de partypopper in haar gezicht ontplofte. We hebben één partypopper ter plaatse laten ontploffen in een vuilniszak en de confetti vloog dwars door de vuilniszak heen. Het was een vrij heftige knal.  Vervolgens hebben we de partypopper uit elkaar gehaald. Ik zag onderin een metalen busje waarop een rubberen dopje zat, die met een metalen draaidop op het flesje gedrukt was. Je moet bewust aan de partypopper draaien om deze te laten ontploffen. (…)
Telefonisch contact gehad met het slachtoffer. (…)   Slachtoffer vond een losse partypopper in een schap in de winkel waar deze niet thuishoorde. De folie aan de bovenzijde van de partypopper was verwijderd.  Ze vroeg zich af wat er met de partypopper aan de hand was en keek er daarom in, terwijl ze tegelijkertijd onbewust aan de partypopper heeft gedraaid.  Ik heb aangegeven dat ik het ongeval zie als een ongelukkige samenloop van omstandigheden en dat ik er daarom geen nader onderzoek naar zal doen. (…)”

Verweer

De werkgever voert aan dat het algemeen bekend is dat het ontploffingsmechanisme van een confettikanon in werking wordt gesteld door met beide handen in tegengestelde richting aan de koker te draaien en dat zij haar werknemers niet op dit risico hoefde te wijzen. De kantonrechter deelt deze opvatting niet.[2]

Wat oordeelt de kantonrechter?

Partijen zijn het erover eens dat het oogletsel dat deze medewerkster heeft opgelopen is ontstaan in de uitoefening van haar werkzaamheden voor de werkgever. Op grond van het tweede lid van artikel 7:658 BW is het aan de werkgever om te bewijzen dat zij aan haar verplichting om voor een veilige werkplek en arbeidsomstandigheden te zorgen heeft voldaan.

Dat de werkgever geen specifieke instructies of waarschuwingen heeft gegeven aan haar met betrekking tot de wijze waarop met een confettikanon als het onderhavige moet worden omgegaan, staat niet ter discussie. Hoe een confettikanon tot ontploffing kan worden gebracht is (echter) geen feit van algemene bekendheid,

De kantonrechter verklaart voor recht dat Action aansprakelijk is voor de door medewerkster geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval dat haar is overkomen op 3 november 2018.

Masterclass Aansprakelijkheid

Wilt u meer weten over de verplichtingen en aansprakelijkheid van werkgevers? Kom naar onze Masterclass Aansprakelijkheid voor Veiligheidskundigen op woensdag 22 juni 2022 in Zeist!

[1] Toetsing in het kader van deze zorgplicht vindt plaats langs de PDCA cyclus en daarbij worden de Arboverplichtingen inventariseren; maatregelen treffen; instructie geven en toezien langsgelopen.

[2] 12. Action voert in dit verband nog aan dat zij duizenden artikelen in haar schappen heeft liggen en dat het confettikanon slechts één van die producten is. De kantonrechter overweegt hierover het volgende. Action kiest er voor een zeer divers en steeds wisselend winkelaanbod te hebben. Dat Action het vervolgens ondoenlijk vindt om haar werknemers te instrueren over het gevaar van één enkel product tussen de veelheid aan artikelen in haar schappen, ligt in haar risicosfeer en ontslaat haar niet van haar verantwoordelijkheid als werkgever om te zorgen voor een veilige werkomgeving waar ongevallen als de onderhavige zich niet kunnen voordoen.

Bron: Kader Group

Wijzigingen regelgeving rolsteigers en kamersteigers

Eind vorig jaar (2021) is de nieuwe rolsteigernorm NEN-EN 1004-1 van kracht gegaan. Ook verscheen dan het hier op aangepaste A-blad Rolsteigers. De Vereniging van Steiger-, hoogwerk- en Betonbekistingbedrijven (VSB) heeft een flyer uitgebracht waarin de belangrijkste wijzigingen in de regelgeving rondom rolsteigers en kamersteigers zijn samengevat.

De NEN-EN 1004-1 is de Europese norm voor rolsteigers. Deze is vernieuwd en is ook van toepassing voor rolsteigers die in Nederland op de markt worden gebracht. Binnenkort verschijnt ook het vernieuwde A-Blad Rolsteigers waarin werkgevers- en werknemersorganisaties de laatste stand der techniek hebben geformuleerd om het werken met rolsteigers veiliger te maken. De Nederlandse Arbeidsinspectie kan bij handhavingsinspecties de aanwijzingen van het A-blad  gebruiken.

Aanpassingen

Aangepast ten opzichte van de vorige versie van de rolsteigernorm is onder meer de ‘ondergrens’ waarboven de norm van toepassing is. Daarnaast het gebruik van leuningen en kantplanken, de afstand tot het eerste platformniveau en de afstand tussen de platformniveaus onderling. Ook gelden er nieuwe eisen voor de stabiliteit van de rolsteiger en de beveiliging van de platforms tegen opwaaien. De vernieuwde norm is in tegenstelling tot voorheen ook van toepassing op rolsteigers met een vloerhoogte vanaf 0 meter. Voorheen was dit 2,5 meter. Hierdoor vallen nu ook de kleine rolsteigers, de zogenaamde kamersteigers, onder de norm.

De VSB-leden hebben de wijzigingen in de rolsteigernorm inmiddels verwerkt in hun producten. Daarmee zijn ze voorbereid op de nieuwe NEN-EN 1004-1 en het vernieuwde A-blad Rolsteigers dat binnenkort wordt gepubliceerd. De veranderingen zijn voor gebruikers samengebracht in de nieuwe flyer ‘Wijzigingen in wet- en regelgeving rolsteigers en kamersteigers’. Deze is te downloaden van de VSB-website: www.vsbnetwerk.nl.

Bron: BouwTotaal.nl

Effect van ventilatie op aerogene overdracht van het coronavirus

Het RIVM, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, heeft berekend wat het effect is van verschillende hoeveelheden ventilatie op het aantal mensen dat ziek wordt door aerogene overdracht van het coronavirus in binnenruimtes. Het verschil tussen niet-ventileren en ventileren volgens de minimale Nederlandse eisen zorgt voor de grootste afname van het verwachte aantal mensen met COVID-19 en klachten.

Ventileren helpt om aerogene overdracht van het coronavirus te beperken. Bij aerogene overdracht gaat het om besmettingen door het inademen van virusdeeltjes via kleine druppels die lang en over grotere afstand door de ruimte zweven. Bij ventileren wordt de lucht binnen in een ruimte ververst met buitenlucht. Via modellering is voor verschillende ventilatiehoeveelheden berekend hoeveel het verwachte aantal mensen met COVID-19 en klachten vermindert. Dit effect is bepaald voor verschillende scenario’s in onder meer een nachtclub, een klaslokaal, een concertzaal en een kantoorruimte.

Uit de berekeningen blijkt dat het verschil tussen geen ventilatie en de minimale Nederlandse ventilatie-eisen (uit het bouwbesluit) zorgt voor het grootste effect. Vooral bij de nachtclub en de concertzalen is een flinke afname in het aantal verwachte mensen met COVID-19 en klachten te zien. Nog meer ventileren maakt de kans op aerogene overdracht kleiner, maar de afname van het verwachte aantal mensen met COVID-19 en klachten wordt kleiner.

Meer inzicht en handvatten voor beleid

Het was al bekend dat ventileren belangrijk is voor een gezond en prettig binnenklimaat. Ook kan ventileren luchtweginfecties beperken. Maar het was onduidelijk of ventilatie volgens de Nederlandse ventilatie-eisen aerogene overdracht kunnen bepreken. Het ministerie van VWS, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, vroeg het RIVM daarom te berekenen wat voor effect ventileren heeft. Deze berekeningen geven weer iets meer inzicht in het ingewikkelde vraagstuk. Ook geeft het rapport het kabinet handvatten om beleidskeuzes over ventilatie te maken.

Basismaatregelen blijven belangrijk

Het RIVM heeft in deze berekeningen alleen gekeken naar aerogene overdracht en niet naar directe besmetting binnen 1,5 meter afstand. Ventileren kan verspreiding van het coronavirus nooit helemaal voorkomen. Daarvoor zijn en blijven ook de andere basismaatregelen belangrijk. Dus blijf thuis bij klachten en laat je testen, houdt 1,5 meter afstand en was regelmatig je handen.

Download rapport
Effect van verschillende ventilatie-hoeveelheden op aerogene transmissie van SARS-CoV-2. Risicoschatting op basis van het AirCoV2-model

Bron: RIVM.nl

Veiligheid begint bij het ontwerp, maar de kennis ontbreekt bij opdrachtgevers en adviseurs

Twee jaar lang zetten Aboma en Bouwend Nederland zich in voor veiligheid ‘aan de voorkant’. Conclusie? Het kennisniveau bij opdrachtgevers en adviseurs moet flink omhoog en “een aannemer mag best kritisch zijn naar de opdrachtgever.”

Aan de voorkant beginnen: dat was het doel van de voucheractie ‘Veiligheid aan de Voorkant’ van Bouwend Nederland. In samenwerking met Aboma konden bouwteams gratis advies krijgen op hun voorlopige ontwerp. “Hoe kan het ontwerp nog aangepast worden zodat het ook veilig uitvoerbaar is?” zegt Reina Uittenbogaard, programmamanager veiligheid bij Bouwend Nederland.

“En ook als het bouwwerk er eenmaal is, dat het ook veilig te onderhouden is? Beginnen bij de bron. Dat was de gedachte van het initiatief.”

Niet bewust

Daarnaast stond de samenwerking in de keten centraal; alleen bouwteams kwamen in aanmerking. “Je moet het als aannemer en opdrachtgever met elkaar regelen”, zegt Uittenbogaard.

“Je hebt allebei een rol. We hadden wel het beeld dat opdrachtgevers zich niet altijd bewust waren van die rol. Dus we wilden graag een project opstarten aan de voorkant.”

Yes we can

Het project is nu op zijn einde, en uiteindelijk zijn er 33 adviestrajecten afgerond. Conclusie: er valt nog flink winst te behalen bij opdrachtgevers. Zo zijn opdrachtgevers zich vaak niet eens bewust van de verantwoordelijkheden die zij hebben, merkte Aboma-adviseur Max Oostendorp. En dat terwijl zij wettelijk verantwoordelijk zijn voor de ontwerpfase.

“Qua bewustwording zit de grootste winst bij de opdrachtgever”, zegt Oostendorp. “Die is zich geregeld niet bewust van zijn wettelijke rol. En de opdrachtnemer, de aannemer, die doet het gewoon. Het antwoord is over het algemeen ‘Yes we can’, en nooit ‘nee, dat doen we niet.’”

Oostendorp legde die rollen voor het hele bouwproces dus ook uit in de presentatie die hij gaf aan het bouwteam waar hij een adviestraject startte. “De opdrachtgevers waren vaak onbewust onbekwaam.”

Je kunt alleen taken delegeren, nooit verantwoordelijkheden

Naast de verduidelijking van de taken, konden ook knelpunten in het ontwerp worden benoemd en opgelost. “Zo kan er bijvoorbeeld een torenflat zijn bedacht, waarbij blijkt dat de ramen niet veilig te onderhouden zijn. Dat is een knelpunt dat we benoemen. Dan zie je meteen een verbeterproces.”

Kennis uitbesteed

Ook zaken als V&G-plannen en V&G-dossiers waren niet goed geregeld. Soms deugden ze niet helemaal, en regelmatig waren ze er überhaupt niet. Omdat de kennis op het gebied van veiligheid dus ontbreekt bij veel opdrachtgevers, bleken de trajecten erg nuttig voor de bouwteams.

Probleem is dat veel kennis ook wordt uitbesteed of belegd bij andere partijen, zoals bij architecten of bouwbegeleidingsbureaus, zegt Oostendorp. Hij noemt als voorbeeld dat ook grote woningcorporaties, de grootste opdrachtgevers voor de bouwsector, meestal zelf geen veiligheidskundigen in dienst hebben.

Maar de wettelijke verantwoordelijkheid voor de ontwerpfase blijft bij de opdrachtgever liggen. “Je kunt alleen taken delegeren, nooit verantwoordelijkheden”, zegt Oostendorp.

Veiligere bouw

En uiteindelijk gaat het ook niet om die wettelijke verantwoordelijkheid, vult Uittenbogaard aan. “Het gaat niet om: ‘Opdrachtgever pas op, dadelijk krijg je een boete.’ Het doel is dat de bouw veiliger wordt. We willen niet mensen om de oren slaan met wetgeving, maar het gaat erom dat je samen oplossingen gaat bedenken. Waardoor het werk veiliger is uit te voeren en er minder ongevallen gebeuren. Zo simpel is het.”

Maar de adviseurs die opdrachtgevers inzetten, zoals architecten, spelen dus wel een belangrijke rol, zegt Uittenbogaard. “Die dragen dan misschien niet zelf de directe verantwoordelijkheid, want de wet legt die bij de opdrachtgever neer, maar die zouden de opdrachtgever wel meer moeten adviseren wat er op het veiligheidsvlak kan gebeuren. Dus ook daar valt nog wel wat te winnen.”

Weinig kennis

Al ontbreekt ook daar kennis, ziet Oostendorp. “Die architecten moeten veilig ontwerpen, in lijn met richtlijnen voor veilig gevelonderhoud en de Richtlijn Bouw- en Sloopveiligheid. Die worden vaak niet gebruikt. Dus er is inderdaad weinig kennis.”

Dat begint ook bij de opleidingen. Zelf heeft Oostendorp vroeger op de hts niks over veiligheid geleerd en ook nu ziet hij dat de studenten van de TU’s maar weinig leren over veiligheid. “Dat vind ik echt heel jammer, want zij ontwerpen het.”

Geen discussiepunt

Ondanks het soms nogal tegenvallende kennisniveau bij de partijen in de bouwteams waren de reacties van de deelnemers positief. Uittenbogaard benadrukt dat opdrachtgevers zelf ook willen dat het werk veilig wordt uitgevoerd. Dat is geen discussiepunt.

“Dus zij waren ook blij om daar tips in te krijgen. En onze voucheractie is afgerond, maar dat betekent natuurlijk niet dat je niet nog steeds een veiligheidsadviseur kan inschakelen om dit te doen. Dat is eigenlijk de oproep die we willen doen.”

Kosten verdampen

Maar zien opdrachtgevers dat wel zitten? Kost dat niet veel geld? “De kosten van een veiligheidskundige, wat je dus ook intern kunt regelen, verdampen op de faalkosten”, zegt Oostendorp. “Samen kun je er heel goed uitkomen. Vaak komen opdrachtgevers en aannemers ook bij ons terug omdat ze zich realiseren dat ze het beter aan de voorkant kunnen oplossen.”

Oostendorp legt uit dat hij als adviseur ook regelmatig op de bouwplaats komt, maar eigenlijk gaat het dan vaak om damage control: “Onveiligheid in de bouwfase wordt veelal veroorzaakt vanuit het ontwerp, daar worden veel van de keuzes al gemaakt.”

Aannemer betrekken

De aannemers moeten dus ook hun rol pakken, benadrukt Uittenbogaard. De aannemer weet het beste hoe iets uitgevoerd moet worden. “Een aannemer mag best kritisch zijn richting de opdrachtgever en het gesprek aan durven gaan”, zegt Uittenbogaard.

“Dat kan een drempel zijn. De relatie is natuurlijk heel belangrijk voor zo’n aannemer. Maar op het moment dat de aannemer al helemaal in het ontwerpstadium betrokken is, kan hij ook daar zijn kennis inbrengen. En dat is ook een van de voordelen van in een bouwteam werken, dan is die mogelijkheid er nog.”

Uiteindelijk begint het dus bij bewustwording bij alle betrokken partijen over wat hun rol is. “Dan ben je nog niet competent”, zegt Oostendorp. “Maar daar begint het mee.”

Bron: Cobouw.nl

RIVM-advies: Actualiseer de rekenmethode

RIVM-advies: Actualiseer de rekenmethode voor het bepalen van risico’s op incidenten bij bedrijven die veel verpakte gevaarlijke stoffen opslaan

Bij bedrijven die veel verpakte gevaarlijke stoffen opslaan, kunnen incidenten gebeuren die gevaarlijk zijn voor omwonenden. Bedrijven zijn daarom verplicht om de risico’s van incidenten voor de omgeving in kaart te brengen. Deze risico’s worden berekend met een vastgestelde methode. Het RIVM, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft onderzocht of de rekenmethode nog voldoet aan de nieuwste wetenschappelijke inzichten. Naar aanleiding van het onderzoek doet het RIVM vier aanbevelingen waarop de methode kan worden verbeterd.

De eerste aanbeveling is om gegevens die onzeker zijn te verwijderen uit de rekenmethode. Daarmee wordt de rekenmethode eenvoudiger. Daarnaast moet de kans op een brand preciezer worden onderzocht, omdat deze volgens de literatuur groter is dan nu wordt aangenomen. Ook moet de methode beter rekening houden met de mate waarin warme rookgassen opstijgen. Ten slotte moet de actuele kennis over de giftigheid van stoffen worden gebruikt.

Wanneer de rekenmethode op basis van de bovenstaande aanbevelingen wordt aangepast, verwacht het RIVM dat de berekende risico’s dichtbij de opslag toenemen. Dit is het gebied rond een bedrijf waar de risico’s het grootst zijn. In dit gebied mogen geen ‘kwetsbare objecten’ zoals woningen staan. Daarbuiten is een gebied waarvoor overheden moeten besluiten of de bevolking voldoende is beschermd, dan wel extra maatregelen nodig zijn. Dit gebied wordt naar verwachting juist kleiner.

Download rapport

Bron: RIVM.nl

Wat moet ik als werkgever doen om legionella te voorkomen?

In Schijndel is na een legionella-uitbraak iemand overleden en zijn meer dan tien mensen ziek geworden. De meesten van hen liggen in het ziekenhuis. De GGD vermoedt dat de bron in de open lucht te vinden is. De legionellabacterie groeit in water met een temperatuur tussen de 20 en 50 graden Celsius. Als het water in hele kleine druppeltjes (nevel) in de lucht komt, kan iemand de bacterie inademen en besmet raken. Van nature komt de bacterie voor in grond en in water. Als werkgever moet je zorgen voor een veilige werkomgeving voor uw personeel. Of je maatregelen moet nemen om legionella te voorkomen, hangt af van de mogelijke besmettingsbron. Denk daarbij aan natte koeltorens, spoelmachines, fonteinen, vernevelingsinstallaties in kassen en autowasstraten.

Wat zijn de klachten bij een legionellabesmetting?

De meeste mensen worden niet ziek als ze de legionella bacterie inademen. Als er klachten ontstaan, gebeurt dat meestal  binnen twee tot tien dagen nadat de bacterie is ingeademd. Sommige mensen krijgen milde, griepachtige klachten. Dat gaat na een paar dagen vanzelf weer over. Heel soms veroorzaakt de legionellabacterie een ernstige longontsteking. Dat heet ook wel veteranenziekte of legionella-longontsteking. Deze longontsteking kan zo ernstig verlopen dat mensen eraan kunnen overlijden.

Controle inspectie

Met een risicoanalyse breng je in beeld waar de mogelijke besmettingsbronnen van legionella zijn. Mochten er risico’s zijn, dan moet je maatregelen nemen. De Inspectie SZW controleert of je de juiste maatregelen neemt om legionella te voorkomen.

Legionella beheersplan

De maatregelen die je neemt om het risico op besmetting terug te dringen, zet je in het beheersplan. In dit plan staat ook welke instanties besmet kunnen raken door legionella. En bij welke werkzaamheden werknemers risico lopen op besmetting.

Beoordeling risico’s

Je moet zich laten adviseren door een gecertificeerde arbodienst of deskundige. Die beoordeelt de risico’s van besmetting met legionella en de maatregelen die nodig zijn.

Je kunt de verplichtingen als werkgever teruglezen in het Arbeidsomstandighedenbesluit of in de Arbowet.

Praktische documenten

Bron: SDU

Beleid voor (on)gewenst gedrag

Als preventiemedewerker heb jij een belangrijke preventieve taak ten aanzien van ongewenst gedrag. Het voorkomen van of beperken van psychosociale arbeidsbelasting (PSA) hoort uitgebreid aan bod te komen in de Risico-Inventarisatie en Evaluatie (RI&E). Wat kun jij als preventiemedewerker nog meer doen? Hoe zorg je voor beleid voor (on)gewenst gedrag mét aandacht voor gewenst gedrag? Hoe hoort het eigenlijk?

Binnen het algemene arbeidsomstandighedenbeleid, moet een bedrijf of instelling een beleid voeren, gericht op voorkoming en als dat niet mogelijk is beperking van psychosociale arbeidsbelasting(PSA). PSA behelst de factoren seksuele intimidatie, agressie en geweld, pesten, discriminatie en werkdruk. Het thema psychosociale arbeidsbelasting hoort uitgebreid aan bod te komen in de Risico-Inventarisatie en Evaluatie (RI&E). De preventiemedewerker heeft als belangrijke taak om mee te werken aan de RI&E en het bijbehorende Plan van Aanpak. Dat is een mooie opmaat naar PSA-beleid en daarmee ook het beleid inzake (on)gewenst gedrag. Wat kan de preventiemedewerker nog meer doen? Hoe zorg je dat er aandacht is voor gewenst gedrag? Hoe hoort het eigenlijk? In onderstaand artikel staan handvatten om (ook positief) met het thema ongewenst gedrag aan de slag te gaan.

Lees het hele artikel op werkenveiligheid.nl.